dinsdag, september 04, 2007

Het Verhaal (van de schoolopening)

“Maam, ik ben zo terug!” riep Jos en knalde de deur achter zich dicht. Ze roffelde de trap af naar beneden en ook de buitendeur knalde in de sponning. Met snelle passen was ze bij haar fiets en haalde hem van slot. Op de laatste donderdagmiddag van september, om een uurtje of drie, begaf ze zich op weg naar de videotheek.

De herfst was nu echt begonnen. De zon was nog aangenaam warm, maar stond al laag en scheen een gouden licht over de rood, geel en bruin verkleurende bomen van het park. Het water in de vijvers glinsterde, maar niet zo blikkerig fel als in hartje zomer. Een briesje duwde zachtjes in haar rug en liet al wat gevallen blaadjes over het fietspad ritselen. Binnenkort zouden de ooievaars naar het zuiden vertrekken, net zoals de luid gakkende ganzen die nu hoog boven het hoofd van Jos vlogen.

Nu was Jos normaal gesproken iemand die alles zag en alles hoorde. Nu niet. Haar gedachten waren zo ver weg, dat al deze zaken volledig langs haar heen gingen. Ze probeerde een oplossing te vinden voor het probleem dat ze zoëven al met haar moeder besproken had. Tenminste…. dat had ze geprobeerd. Haar moeder had het nogal druk met één of ander project en een deadline op het ogenblik en had slechts met grote moeite haar laptop even in de steek gelaten, toen Jos haar om hulp had gevraagd.
“Ik moet maandag een spreekbeurt houden en ik heb geen flauw idee hoe ik het aan moet pakken. Het onderwerp is “de held in jezelf” en ik word er helemaal knettergek van iedere keer als ik erover nadenk. Kun jij me alsjeblieft helpen, mam?” had Jos gevraagd.
“Mmmmm……?” had haar moeder geantwoord en was gewoon doorgegaan met haar werk.
Nouja, daar schoot ze toch helemaal niets mee op!
“Maham! Doe nou eens normaal! Ik vraag toch of je me wil helpen!!!”
“Jaja, niet zo schreeuwen hoor. Sorrysorry, maar ik heb het ook zo druk. Ik wil je echt graag helpen, dat weet je best. Ik ben je moeder en als er iets is, kunnen we er altijd over praten, dat weet je. Nou, komop, wat is het probleem?” Demonstratief had ze haar schermpje dichtgeklapt.
Maar Jos merkte wel dat haar moeders aandacht niet echt te vangen was voor haar spreekbeurt. En eigenlijk voelde ze zich een beetje afgescheept door de suggestie om maar naar de videotheek te gaan en daar een film te huren over Sophie Scholl, die tijdens de Tweede Wereldoorlog, samen met haar broer en vrienden, in Duitsland verzet had gepleegd tegen de Nazi’s. Een filmpje kijken als huiswerk was natuurlijk altijd wel leuk, maar hoe ze daardoor de held in zichzelf moest ontdekken…..? Ze had het niet aan haar moeder kunnen vragen, want die werd alweer op haar mobieltje gebeld. Belachelijke ringtone trouwens.
Jantje Smit, dat moest dan grappig zijn.
Tjongejonge…

En nu zat ze dus op de fiets. Ze was begin deze maand zestien geworden en al die jaren was haar leven rimpelloos verlopen. Er gebeurde met haar nooit iets bijzonders. Echt helemaal nooit. Ze had nooit echte problemen en haar vrienden of familie ook niet. Ze geloofde niet ergens in met heel haar hart. Ze had geen idealen of een politieke overtuiging. Als ze achttien was ging ze wel eens nadenken over op wie ze moest stemmen. Dat was nu toch nog helemaal niet belangrijk… Ze was eigenlijk wel tevreden met haar leven en dat van de mensen om haar heen. Hoe moest je dan een held worden?
Nelson Mandela: dat was nou ècht een held. Die had meer dan 27 jaar in de gevangenis gezeten om uiteindelijk zijn volk te bevrijden van het apartheidssysteem in Zuid-Afrika. Mahatma Ghandi had met geweldloos verzet bereikt dat de Britten naar huis waren gegaan. Daarvoor had hij volledig voor schut gelopen met zijn kaalgeschoren hoofd en die rare luier aan, maar hij had het wèl voor elkaar gekregen.
En Rosa Parks, een zwarte vrouw, had het op een dag vertikt om achter in de bus te gaan zitten, terwijl dat volgens de wet toen nog wel moest in Amerika, alleen vanwege haar huidskleur.
Jeanne d’Arc had bezoek gehad van de engel Michael en ze had stemmen gehoord die haar hadden verteld wat ze moest doen. Uiteindelijk was Jeanne zelfs heilig verklaard. Jos hoorde nooit stemmen, behalve dan in schoenenwinkels: “die daar, die MOET je kopen!!”
Over al die helden had ze op school geleerd, maar wat had ze daar verder aan? Hoe zou zij nou ooit beroemd kunnen worden, omdat ze een heldendaad had verricht? Hier in Amsterdam, als zestienjarig meisje, anno 2007: niet dus!

Het was druk op straat. Jos merkte het toen ze wilde oversteken naar de videotheek. Auto’s, een vrachtwagen, een tram, fietsen, brommers, scootertjes.
O, ze wilde er ook zo graag één: een rode met zo’n plankje waar ze haar voeten op kon zetten en haar tas ernaast en met twee blinkend zilveren buitenspiegels en natuurlijk een bijpassende helm. Maar haar ouders vonden het onzin en gevaarlijk en duur en fietsen was veel en veel gezonder…. Die mensen hadden ècht geen leven!
Alles suisde aan Jos voorbij, er werd getoeterd, gebeld en geroepen en het duurde behoorlijk lang voordat ze een gaatje had gevonden in de verkeersstroom. Eenmaal aan de overkant, zette ze haar fiets in het rek op de hoek en boog zich voorover om hem op slot te zetten.
En toen gebeurde er iets raars.
Ze hoorde niets meer.
Of nou ja, niets meer… het was meer dat het geluid heel sterk gedempt werd. Alsof er een dikke wollen deken over de wereld was gelegd. Jos richtte zich op en keek om zich heen om uit te vinden wat er aan de hand kon zijn. Ze wist namelijk zeker dàt er iets aan de hand was òf dat er iets ging gebeuren. Van binnen wist ze dat, zonder er over te hoeven nadenken.
De drukke verkeersstraat was nog steeds druk.
Daar was het niet.
Ze draaide zich om en keek de rustige zijstraat in. De lagere school daar was blijkbaar net uitgegaan.
Ze zag het jongetje met rugzak tussen de geparkeerde auto’s door rennen.
Ze zag de volwassen man, die hem achterna zat.
Ze speelden geen tikkertje.
Het was menens.
En zonder te beseffen wat ze deed, sprintte Jos er naar toe. Ze had nog nooit zo hard gerend.
Haar voeten stopten, toen ze pal voor de man stond, die zijn vaart moest afremmen om haar niet omver te lopen.
Ze moest haar hoofd enigszins in haar nek leggen om hem recht in zijn ogen te kunnen kijken. Met zachte, maar vastberaden stem hoorde ze zichzelf zeggen: “Wat is hier aan de hand?”
Op dat moment werd de wollen deken weer van de wereld weggenomen. Een explosie van geluid, plotseling in haar oren. Ze hoorde kinderen gillen en roepen, ze hoorde het verkeer in de verte weer, ze hoorde zelfs wat vogeltjes, ze hoorde de man schreeuwen.
“Ga aan de kant! Ik neem hem te grazen! Het is genoeg geweest! Bemoei je er niet mee, laat me erdoor! Ga weg! De maat is vol! Hij heeft een pak slaag verdiend!”
“Er worden hier geen kinderen geslagen,” zei Jos “dat gaat niet gebeuren.”
De ogen van de man schoten wild heen en weer. Hij probeerde langs haar heen te glippen, maar hij stond een beetje klem tussen Jos, de auto’s en de horde kinderen die inmiddels achter haar waren komen staan. Om de één of andere reden raakte de man haar niet aan en hij duwde haar ook niet aan de kant, terwijl hij zeker anderhalve kop groter was dan Jos en behoorlijk flink van postuur.
“Vertelt u me dan: wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd? Waarom bent u zo kwaad op die jongen?” vroeg ze om het gesprek aan de gang te houden.
“Het moet gewoon afgelopen zijn!” schreeuwde de man “en jij moet aan de kant, want ik zal hem krijgen!”
“Ik ga niet aan de kant. Niet als u die jongen gaat slaan. Dat gaat niet gebeuren,” zei Jos. Haar stem bibberde niet eens, laat staan dat ze stotterde. Ze was zó rustig van binnen. De woorden kwamen als vanzelf in haar op. Ze hoefde er niet eens over na te denken.
“Wat heeft die jongen gedaan, dat u zo kwaad op hem bent?”
“M’n zoontje. Hij moet altijd mijn zoontje hebben. Hij pest hem. En het duurt al zo lang. Het is vorig schooljaar begonnen. Nu is het genoeg geweest. Mijn zoontje komt elke dag huilend thuis en ik kan er niet meer tegen.”
Jos merkte dat de man haar steeds langer bleef aankijken en dat zijn stem en motoriek rustiger werden. De concentratie was langzaam aan het verschuiven van het jongetje met rugzak naar het gesprek dat ze voerden.
“En hebt u er al over gepraat op school?”
“Ja, natuurlijk. Maar die klootzakken doen er niets aan. Het kan ze helemaal niks schelen. Ze beloven van alles, maar het pesten stopt niet. En ik moet mijn zoontje elke dag weer hier naar die rotschool brengen waar hij gepest wordt. Ik heb er zó’n genoeg van.“
O,o, zijn stem werd weer harder, zijn gebaren heftiger.
Een wat mager jongetje van een jaar of tien, met veel te wijde kleren van het verkeerde merk en de verkeerde kleur, afhangende schouders, piekerig melkboerenhondenhaar, een beugelbekkie en een bril met dikke glazen kwam naast de man staan, die een stevige arm om hem heen sloeg. Jos snapte dat dit het zoontje moest zijn. Hij zag er wel erg kwets- en pestbaar uit.
“Misschien moet u een andere school zoeken. Als het pesten niet ophoudt en ze doen er niks aan, is dat misschien een oplossing?”
Het jongetje knikte hevig en keek omhoog naar zijn vader. De man keek nadenkend naar beneden, dan weer naar Jos, dan weer om zich heen.
“Tja, ik weet het niet. Ik wil die rotzak gewoon eens een lesje leren. Waar is hij eigenlijk gebleven?” Hij keek naar de kinderen die zich achter Jos verschanst hadden en duwde zijn zoontje een klein beetje opzij, zodat hij eventueel zijn prooi kon grijpen.
Gelukkig zag Jos op dat moment twee mannen in een blauw uniform aan komen lopen. Geen politie, maar buurtwachters ofzo. Als ze het nog kon rekken, totdat die mannen er waren…
“U maakt het probleem alleen maar groter door het met geweld te lijf te gaan. Er moet een andere oplossing te verzinnen zijn.”
“Jaja, alsof het zo gemakkelijk is om midden in het jaar van school te wisselen. Ik weet niet eens hoe ik dat aan moet pakken. Bovendien is het gewoon niet eerlijk!”
De man begon alweer harder te praten, maar nu waren de buurtwachters gearriveerd. Ze zagen er groot en sterk uit.
“Is hier iets aan de hand?” vroeg één van hen.
“Ach,” zei Jos “het leek er even op. Maar als jullie het over willen nemen, graag!”
De buurtwachters wendden zich tot de man en zeiden “Wat kunnen we voor u doen, meneer?”
Ze knikte naar de man en zijn zoontje en liep weg van de hele scène. En toen voelde ze het: haar knieën trilden en werden helemaal slap alsof ze van rubber waren. Alsof ze zojuist in één keer de trappen van Domtoren had beklommen. En haar hart ging als een gek tekeer: boingboingboing! Het bloed suisde in haar oren.
Mechanisch liep Jos naar haar fiets, haalde hem van het slot en reed naar huis. Helemaal op de automatische piloot, want ze was maar aan het denken.
Wat was er allemaal gebeurd? Het was zo snel gegaan.
Hoe kon het, dat het ineens zo stil was geweest? Dat had ze nog nooit eerder meegemaakt, maar daardoor was alles wèl begonnen.
Hoe had ze gedurfd wat ze had gedaan?
En was dat nou wel zo verstandig geweest? Die man was echt veel groter en sterker dan zij. En zoooooooooooo ontzettend kwaad.
Wat als hij hààr geslagen had?
Of gewoon tegen de grond gesmakt?
Als ze daar van te voren allemaal over had nagedacht, had ze waarschijnlijk niet ingegrepen óf ze was te laat geweest. Dan had die man dat jongetje aan zijn rugzak vast kunnen grijpen en dan… gatverdamme nee: ze moest er niet aan denken.
En zo kreeg ze langzamerhand, tijdens het fietsen, alle gebeurtenissen steeds meer op een rijtje en werden haar gedachten weer helder.
Maar pas toen ze thuis was gekomen, naar boven was gelopen en haar hand op de deurklink legde, realiseerde ze zich, dat ze helemaal vergeten was om die film bij de videotheek te halen…
Alsof ze die nog nodig had!

Lieve heldinnen en helden in deze zaal, ik wens jullie een gewaagd, gedurfd en moedig schooljaar toe!

Geen opmerkingen: